Warme gloed

Zou er weer zo’n zomer komen
‘t was een mooie warme gloed
Waarin ik eindeloos kon dromen
Over hoe het verder moet

‘t was heerlijk, het was eindeloos
Grandioos en virtuoos
En geen nacht, dat ik niet dacht
Aan de liefde, die ik koos

Zou het nog een keer zo warm
En zo mooi, en alles goed
Mogen drinken, mogen klinken
‘t was een droom, een warme gloed

Advertisements

Podium-ik en ik

Podium-ik fluistert me af en toe wat in
Recht die rug, hoofd omhoog, denk aan je kin
Podium-ik, die nooit echt bang is
Bluft zich er altijd wel doorheen
En als ik weer van het toneel ben
Dan is er nog slechts ik, alleen

Podium-ik en ik, we spraken af
Hij de grappen, ik de rust
En geeft hij alle energie
Dan telt ‘ wij samen’ op naar drie
En blijf ik achter, uitgeblust

Maar geen nood, – zoals ik zeg –
Als je me overmorgen ziet
Dan met een volle batterij
Weer opgeladen, ben ik blij
En ga ook niets meer uit de weg

Niet zo cool als ik er uitzie

‘k ben niet zo cool als ik er uitzie
Van binnen gonst het al, en bonst het al
Mijn hart, en ik blijf ogenschijnlijk rustig
Want het moment, is me bekend
Ik weet hoe ik dit spelen zal

Van alles raast er door mijn hoofd
Toch blijf ik dicht bij wat me drijft
Dat ik doen wil, wat ik doe
En dat ‘t verhaal zichzelf schrijft

Maar nooit zo cool, als ik er uitzie
Van binnen raast het al, en zal
Binnen afzienbare tijd mijn hart
Me brengen, naar de plek in ‘t licht
Wat ik mezelf heb toegedicht
Ik weet hoe ik dit spelen zal

 

Paniekaanval

Te lang dat ik het naamloos liet
Dat ik er nog geen woord voor had
En soms doemde het in mij op
Als de schimmen, van de nacht

Wat maakte dat het knopje om ging
Soms maar een dag, soms wel voor weken
Geen idee, hoe dat in mij sloop
Niet in de bijsluiter gekeken

Dan duurt de dag altijd zo lang
Voel ik me opgejaagd en bang
En breekt het zweet me letterlijk
Ineens aan alle kanten uit

En het duizelt me, ik val
Dat gevoel, toch val ik niet
Steeds die onrust – ik wil weg !-
En denk, dat iedereen mij ziet

Als een cirkel, door mijn hoofd heen
Gaat het met me aan de haal, al
Noem ik dat , wat naamloos was
Dan heet het nu : paniekaanval

Geen schilderij

Jouw ogen, die ik nooit gezien heb
Althans, niet van dichtbij
Staan steeds zo dof, zo zonder glans
En zo hoor je niet bij mij

Want jij , jij bent geen schilderij
En het leven geen gedicht
Anders schilderde ik je glanzend
En schreef je ogen, naar het licht

Waar zal jij de glans weer vinden
Zo makkelijk is dat antwoord niet
Zoek het in je eigen hart en
Vind een plek voor je verdriet

Ons huis – ons thuis

Als ik loop van ‘t huis naar bushalte
Misschien voor de laatste keer
Voel ik de weemoed al in overvloed
Straks wonen ze hier echt niet meer

In duizenden herinneringen
Onmogelijk, om te beschrijven
Die altijd met dat huis, die plek
En met mijn jeugd verbonden blijven

Dan voelt het gek, weg van die plek
Ons huis wordt iemand anders huis
Een huis, zoals er velen zijn
Maar voor ons was dat ons thuis

Waar we droomden, en we speelden
En alle dingen samen deelden
Niet vergeten, ‘t was zo fijn
De allerlaatste keer, dat zal wel even moeilijk zijn

Laat los

Laat los , er komen nieuwe wegen
Waarvan je niet weet, waar naartoe
Laat los, je hebt al veel gekregen
Al voelt het niet zo, af en toe

Er was misschien teveel gebeurd
En kan je er nog niet van praten
Er zit niet heel veel anders op
Dan het nu maar los te laten

Je zag de tranen als de regen
Voelde de onrust, van de wind
Laat nu los, je kan er tegen
Je vrij te voelen, als een kind

Nog niets is zeker, alles waait nog
Als een storm, dwars door je hoofd
Geen zorgen, voor de dag van morgen
Dat wat je vroeger werd beloofd

Het is niet makkelijk, te dromen
In een tijd, van groot verdriet
Als je los laat, zal er weer iets komen
Waardoor je ‘t licht ook schijnen ziet

Verder gaan

Als het zondag is
De regen valt
En al mijn kleine zorgen vallen in het niet

Dat ik praten wil, en horen wil
Maar ‘t klinkt allemaal zo lullig
Als ik kijk, naar jouw verdriet

Want het regent, en wat zou dat
En het lijkt als een cliché
Alles wat ik voel, is stilte
Maar daar help ik je niet mee

Ik weet niet wat ik nog zou zeggen
‘t liefst kijk ik je zwijgend aan
Want je hoeft niets uit te leggen
Dan kunnen we weer verder gaan

De wind

De wind waait al vanaf de nacht
En blies onrustig door mijn dromen
Die met de wind nog sterker komen
En ik had ze al verwacht

Zo gaat het vaker in die nachten
Ik kom niet los van de gedachten
Onrust, de wind blaast in mijn oren
Duwt de dromen weer naar voren

En soms, wanneer ik wakker word
De droom nog helder voor mijn geest
Weet ik niet zeker, of ik droomde
Of dat het echt zo is geweest

Zo maakt de wind dat ik steeds draaide
Ik hoop dat straks de wind weer ligt
Zodat ik rustig wakker word
En zie wat de wind heeft aangericht

Van niets naar iets

Ben jij dan van dezelfde ster
Mars, Venus of Jupiter
De stof die dwarrelde oneindig lang
Tot in deze vaste vorm

Want hemel, aarde, ruimte, tijd
Het is allemaal hetzelfde
Wat was daarvóór, denk ik allang
Nou, niet zoveel dus, ben ik bang

De zon, de ster, die ons verwarmt
De maan doet dingen, met de zee
En jij doet vlinders in mijn buik
En ik neem het op, ik neem het mee

Als sterren stalen, stof doet dalen
En leven maakt vanuit het niets
Komen er altijd weer verhalen
Van liefde, vanuit niets naar iets